Stagereglement
STAGEREGLEMENT IN HET ARRONDISSEMENT
UTRECHT
De Raad van Toezicht van de Orde
van Advocaten in het Arrondissement Utrecht, gezien de artikelen 9b e.v. juncto
artikel 26 van de Advocatenwet en de Stageverordening 2005 heeft het navolgende
Stagereglement vastgesteld:
I. Algemeen
Artikel 1
In dit reglement wordt verstaan onder:
a. De
Raad: de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Utrecht;
b. de
advocaat: de in het arrondissement Utrecht ingeschreven advocaat;
c. de
stagiaire: de advocaat die niet in het bezit is van de verklaring als bedoeld
in artikel 10 van de Stageverordening 1988 (de stageverklaring) en al dan niet
in loondienst van (het kantoor van) zijn patroon de praktijk uitoefent;
d. de
stagiaire met een buitenpatroon: de advocaat die niet in het bezit is van de
stageverklaring aan wie vrijstelling is verleend van de verplichting bij een
patroon kantoor te houden;
e. de
ondernemer‑stagiaire: de hierboven sub c of sub d genoemde stagiaire die de
praktijk voor eigen rekening en risico uitoefent;
f. de
patroon: de advocaat onder wiens toezicht de stagiaire, met goedkeuring van de
Raad, de praktijk uitoefent;
g. de
stage: de periode gedurende welke de verhouding tussen de patroon en de
stagiaire als bedoeld in artikel 9 b van de Advocatenwet voortduurt.
II. Patronaat
Artikel 2
2.1 Een
advocaat die tenminste zeven jaar als zodanig in Nederland is ingeschreven
geweest, kan met goedkeuring van de Raad patroon worden over maximaal twee
stagiaires. Indien de stagiaire niet ten kantore van
zijn patroon de praktijk uitoefent, kan het patronaat slechts worden
uitgeoefend over één stagiaire.
2.2 De Raad kan aan de goedkeuring van het patronaat voorwaarden
verbinden. Met ingang van 1 januari 2012 dient iedere advocaat die voor het
eerst patroon wordt, in ieder geval een patroonscursus met goed gevolg te
hebben doorlopen. De raad kan ook aan de advocaat die al een of
meerdere keren patroon is geweest, de voorwaarde stellen dat de advocaat eerst
met goed gevold een patroonscursus heeft gevolgd.
2.3 Goedkeuring kan worden onthouden indien naar het oordeel van de
Raad onvoldoende waarborgen zijn voor een goede invulling van het patronaat,
zulks onder meer omdat er sprake is (geweest) van de volgende feiten en
omstandigheden:
‑ handelen of nalaten van de patroon in strijd met de Advocatenwet
en de daarop gebaseerde regelgeving;
‑ handelen of nalaten van de patroon in strijd met het voor
advocaten geldende gedrags‑ en/of tuchtrecht;
‑ zodanige voor de stagiaire geldende (arbeids)voorwaarden dat de
opleiding van de stagiaire negatief wordt beïnvloed.
Artikel 3
Met betrekking tot zijn
bevoegdheid om op de voet van artikel 4 lid 4 van de Stageverordening 2005 de
in artikel 2 lid 1 van dit Reglement bedoelde termijn van zeven jaar in
bijzondere gevallen te verkorten, hanteert de Raad met inachtneming van de
overige voor de goedkeuring van het patronaat geldende eisen het beleid dat dit
slechts mogelijk is indien sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden,
zoals bijvoorbeeld de noodzaak het patronaat te wijzigen bij het overlijden van
de patroon of het uiteenvallen van bestaande kantoorcombinaties.
Verkorting van de termijn is
niet aan de orde indien dit verband houdt met de wens het kantoor uit te
breiden.
Bij verkorting van de
termijn geldt te allen tijde dat de patroon het patronaat slechts over
één stagiaire, niet zijnde
een buitenstagiaire of een ondernemer-stagiaire, kan uitoefenen
zolang hij nog niet zeven
jaar als advocaat ingeschreven is geweest.
Artikel 4
4.1 De patroon geeft aan de stagiaire leiding, voorlichting en raad
met betrekking tot de gehele praktijkuitoefening, zowel ten aanzien van de
behandeling, de voortgang en de diversiteit der zaken, alsook ten aanzien van
de introductie van de stagiaire bij en vervolgens diens optreden jegens de
rechterlijke macht, advocaten, cliënten en andere zakelijke
relaties/instanties.
4.2 De stagiaire is verplicht de door de patroon te geven begeleiding
te aanvaarden en de aanwijzingen op te volgen.
4.3. De patroon en de stagiaire dienen voor de opleiding van de
stagiaire voor elkaar bereikbaar te zijn.
4.4 De patroon verschaft de stagiaire zo ruim mogelijk inzicht in de
verschillende aspecten van de praktijkuitoefening. De patroon schenkt daarbij
ook aandacht aan de organisatie van het kantoor, de wijze van inrichting van de
administratie en de boekhouding en de financiën, daaronder begrepen de wijze
van declareren.
4.5 De patroon ziet erop toe, dat de stagiaire voldoende kennis
verwerft van de Advocatenwet, de verordeningen, de gedragsregels en de
organisatie van de Nederlandse Orde van Advocaten.
4.6 De stagiaire wordt regelmatig betrokken in zaken die de patroon in
behandeling heeft, hetgeen onder meer inhoudt:
‑ het
houden van voorbesprekingen met de stagiaire;
‑ het
laten bijwonen van gesprekken met de cliënt en de wederpartij;
‑ het laten opstellen door de stagiaire van concept‑brieven en
concept‑processtukken, welke vervolgens door de patroon met de stagiaire worden
besproken;
‑ het
bijwonen van behandelingen van zaken;
‑ het
bespreken van de uitspraak met de stagiaire.
Artikel 5
5.1 Bij het verzoek tot goedkeuring van het patronaat als bedoeld in
artikel 4 lid 1 van de Stageverordening 1988 wordt aan de Raad afschrift
overgelegd van de overeenkomst(en) betrekking hebbende op de rechtsverhouding
tussen de stagiaire en (het kantoor van) de patroon.
5.2 De contractuele verhouding tussen patroon en stagiaire dient te
voldoen aan alle voorschriften, gesteld bij of krachtens de Advocatenwet en de
daarop gebaseerde regelgeving, alsmede aan de relevante bepalingen uit de door
de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten en/of de Raad van
Toezicht vastgestelde verordeningen, maatregelen en richtlijnen. De
contractuele verhouding dient in overeenstemming te zijn met (de strekking van)
de Richtlijn Arbeidsvoorwaarden Stagiaires (zoals opgenomen in het Vademecum).
Afwijkingen daarvan zijn slechts toegestaan met voorafgaande schriftelijke
toestemming van de Raad, met dien verstande dat geen toestemming nodig is voor
het door de Raad aanbevolen beding dat de cursuskosten verbonden aan de
Beroepsopleiding Advocatuur ten laste komen van (het kantoor van) de patroon.
De Raad hecht er aan dat in de contractuele verhouding tussen patroon en
stagiaire wordt gerefereerd aan de toepasselijkheid van genoemde richtlijn.
Andere vormen van
samenwerking tussen de stagiaire en (het kantoor van) de patroon dan een
arbeidsovereenkomst behoeven de voorafgaande goedkeuring van de Raad.
5.3 Een concurrentie‑ en/of relatiebeding met stagiaires behoeft
voorafgaande goedkeuring door de Raad. Een concurrentiebeding is in beginsel
niet geoorloofd. Een relatiebeding is in beginsel geoorloofd voor zo ver het
beding inhoudt dat de stagiaire zich verbindt aan het einde van de stage tot
één jaar na het einde van het dienstverband geen relaties van het kantoor te
bedienen De Raad dient in het relatiebeding te zijn aangewezen als bindend
adviseur bij gerezen geschillen . Een boetebeding is niet geoorloofd .
5.4 Het is de stagiaire niet toegestaan, anders dan met schriftelijke
goedkeuring van de Raad en onder door de Raad te stellen voorwaarden, kantoor
te houden op een andere plaats dan die waar zijn patroon kantoor houdt.
5.5 Met betrekking tot het tijdelijk krachtens detachering verrichten
van werkzaamheden op een andere plaats dan die waar de patroon kantoor houdt,
hanteert de Raad als beleid dat eventueel voorafgaande goedkeuring wordt
verleend, indien:
‑ de
stagiaire tenminste één jaar als advocaat is ingeschreven;
‑ geen
wijziging optreedt in de contractuele verhouding tussen de patroon en de
stagiaire;
‑ de
detachering in totaal, over de gehele periode van de stage, maximaal zes
maanden (op basis van full time dienstverband) duurt;
‑ de patroon onverminderd verantwoordelijk blijft voor het
uitoefenen van zijn toezichthoudende taak;
‑ de goede opleiding van de stagiaire gewaarborgd blijft;
-
de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van de stagiaire
dekking blijft bieden;
-
de stagiaire ten
minste 2 dagen per week werkzaamheden verricht op het eigen kantoor,tenzij
patroon en stagiaire tegelijkertijd met elkaar bij dezelfde organisatie zijn
gedetacheerd;
-
de patroon van de opdrachtgever (voor zover deze geen advocatenkantoor
exploiteert) bedingt dat de opdrachtgever zich houdt aan het professioneel
statuut als bedoeld in de verordening van de advocaat in dienstbetrekking;
‑ de stagiaire bij alle in het kader van de detachering voorkomende
werkzaamheden steeds de hoedanigheid van advocaat behoudt en deze hoedanigheid
tegenover derden steeds duidelijk kenbaar maakt (met de exacte volledige
vermelding van de plaats waar de stagiaire kantoor houdt).
5.6 De patroon zal bij voorkeur aan het einde van het tweede jaar van
de stage, maar tenminste zes maanden voor het einde van de stageperiode, met de
stagiaire bespreken of er voor de stagiaire al dan niet de mogelijkheid bestaat
om na afloop van de stage op het kantoor van de patroon als advocaat werkzaam
te blijven.
III. Opleidingsmaatregelen
Artikel 6
6.1 De stagiaire is verplicht om te voldoen aan de opleidingsmaatregelen
zoals vastgesteld door de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten
en de Raad.
Naast de
opleidingsverplichting als bedoeld in artikel 9c van de Advocatenwet geldt als
opleidingsmaatregel dat een stagiaire in totaal 74 opleidingspunten vergaart op
basis van de navolgende samenstelling:
a. 40 VSO-opleidingspunten te behalen door het volgen van één of
meer cursussen uit het VSO-cursusaanbod van de door de Nederlandse Orde van
Advocaten erkende opleidingsinstellingen, waarbij tenminste de helft behaald
dient te zijn met opleiding betrekking hebbende op een juridisch onderwerp,
zulks op basis van een landelijk voorschrift;
b. alle onderwijsmodules,
georganiseerd door de Raad onder de naam
“LSO”, gewaardeerd met totaal 20 punten, zulks op basis van een plaatselijk
voorschrift;
c. 5 lezingen, gewaardeerd met ieder 1 punt dus in totaal 5
punten, georganiseerd door de Vereniging De Jonge Balie te Utrecht;
d. voorbereiding/training pleidooi (5 punten) en pleidooi in de
vorm van een actieve deelname (4 punten), tezamen gewaardeerd met 9 punten,
georganiseerd door de Vereniging De Jonge Balie te Utrecht.
6.2 De patroon en de stagiaire zijn ieder verplicht zorg
te dragen dat de stagiaire de in het kader van de opleiding gestelde
verplichtingen nakomt. Indien niet aan alle opleidingsverplichtingen is voldaan
aan het einde van de stage, wordt art. 15.5 van dit reglement
dienovereenkomstig toegepast, voorzover de Raad dat nodig oordeelt om de
stagiaire alsnog aan zijn opleidingsverplichtingen te laten voldoen.
6.3 Vóór de aanvang van de stage maken de patroon/werkgever en de
(aankomend) stagiaire schriftelijk afspraken voor wiens rekening de kosten van
de verplichte onderdelen van de opleiding zullen komen, waarbij de Raad
aanbeveelt dat de cursuskosten verbonden aan de Beroepsopleiding Advocatuur ten
laste komen van (het kantoor van) de patroon.
Artikel 7
7.1 De stagiaire is verplicht gedurende de stage lid te zijn van de
Vereniging De Jonge Balie in het Arrondissement Utrecht en aan haar
activiteiten deel te nemen, voor zover de Raad deelname verplicht heeft
gesteld.
7.2 De patroon bevordert dat de stagiaire deelneemt aan de
activiteiten van de Vereniging De Jonge Balie in het arrondissement Utrecht.
Artikel 8
De stagiaire die
vrijstelling wenst van één of meer van de door de Raad verplicht gestelde
opleidingsmaatregelen als bedoeld in artikel 6.1 van dit reglement, voorzover
de vrijstelling hiervan tot de competentie van de Raad behoort, dient daartoe
tijdig, doch tenminste één maand voor de aanvang van het desbetreffende
onderdeel van de opleiding een schriftelijk en gemotiveerd verzoek in bij de
Raad. De Raad beslist zo spoedig mogelijk op het verzoek.
IV. Overleg/toezicht
Artikel 9
9.1 Zodra de stagiaire zelfstandig zaken behandelt, controleert en
bespreekt de patroon in elk geval gedurende de eerste twee maanden dagelijks
alle van de stagiaire uitgaande correspondentie en alle door de stagiaire
opgestelde stukken, voordat deze worden verzonden, respectievelijk worden
ingediend.
Na verloop van deze periode
neemt de patroon regelmatig, doch tenminste één keer per week, alle daarvoor in
aanmerking komende correspondentie en stukken met de stagiaire door.
9.2 Voorts bespreekt de patroon gedurende de eerste zes maanden van de
stage tenminste eenmaal per week met de stagiaire de bij de stagiaire in
behandeling zijnde zaken, terwijl de patroon tevens toeziet op de voortgang
daarvan. Na verloop van deze periode vinden deze besprekingen tenminste eenmaal
per maand plaats.
9.3 Na verloop van het eerste stagejaar vindt de bespreking als
bedoeld in lid 2 van dit artikel tenminste eenmaal per kwartaal plaats.
Bespreking van de uitgaande correspondentie van de stagiaire en van de door de
stagiaire opgestelde processtukken vindt in de in dit lid bedoelde periode
plaats voorzover dat nodig wordt geacht door de patroon en/of de stagiaire.
Artikel 10
10. 1 De stagiaire zal in beginsel geen cliënten bijstaan bij mondelinge
behandelingen ten overstaan van een rechterlijk of soortgelijk college dan
nadat de stagiaire tenminste twee pleidooien of mondelinge behandelingen van de
patroon danwel van een andere ervaren advocaat heeft bijgewoond.
10.2 De patroon zal zich in het eerste jaar van de stage tenminste
tweemaal persoonlijk op de hoogte stellen van het optreden van de stagiaire
door het bijwonen van bijvoorbeeld een pleidooi, een zitting of een bespreking
met een cliënt of wederpartij en de patroon zal dit optreden kort daarna met de
stagiaire bespreken.
10.3 Een stagiaire zal niet deelnemen aan de piketdienst dan nadat de stagiaire aan de daarvoor geldende
eisen heeft voldaan.
V. Bijzondere bepalingen in verband met het buitenpatronaat
Artikel 11
11.1 Onverminderd de toepasselijkheid van de voorgaande artikelen
(uitgezonderd artikel 9 en voorts uitgezonderd de artikelen die naar hun aard
niet van toepassing kunnen zijn indien sprake is van een buitenpatronaat)
gelden voor het buitenpatronaat als bedoeld in artikel 9b lid 3 van de
Advocatenwet de volgende bijzondere bepalingen.
11.2 Van de verplichting van de stagiaire bij de patroon kantoor te
houden, wordt door de Raad slechts in zeer uitzonderlijke (nood)gevallen
vrijstelling verleend, zonodig onder nader te stellen voorwaarden, indien naar
het oordeel van de Raad een behoorlijke opleiding van en praktijkuitoefening
door de stagiaire tijdens de stage voldoende is gewaarborgd.
11.3 De vrijstelling als bedoeld in het vorige lid wordt ingetrokken,
indien blijkt dat aan de voorwaarden bij of krachtens dit reglement gesteld,
niet meer wordt voldaan. De stage is in dat geval geschorst.
11.4 De stagiaire die in aanmerking wenst te komen voor vrijstelling van
de verplichting bij de patroon kantoor te houden, dient ten genoegen van de
Raad aan te tonen dat intensieve sollicitatie-activiteiten gedurende tenminste
zes maanden in meerdere Arrondissementen niet tot resultaat hebben geleid.
11.5 Met betrekking tot verzoeken om vrijstelling van de verplichting
bij de patroon kantoor te houden, voert de Raad van Toezicht een zeer
terughoudend beleid, zulks op grond van de overweging dat het niet bevordelijk
is voor het toezicht op, alsmede de begeleiding en de opleiding van de
stagiaire indien de patroon en de stagiaire niet op hetzelfde kantoor de
praktijk uitoefenen. De Raad verleent geen vrijstelling, indien het verzoek daartoe
kan worden gezien tegen de achtergrond van het feit dat op het kantoor waar de
stagiaire de praktijk uitoefent wel één of meer advocaten werkzaam is/zijn die
voldoet/voldoen aan de eisen voor het patronaat, doch die reeds het patronaat
over twee stagiaires uitoefent/uitoefenen.
11.6 De stagiaire dient zelf een voor de Raad aanvaardbare patroon
bereid te vinden om als zodanig op te treden, onverminderd het bepaalde in
artikel 4.2 van de Stageverordening 1988. De patroon dient in hetzelfde
Arrondissement als de stagiaire te zijn gevestigd.
De kantoren van patroon en
stagiaire dienen in beginsel in dezelfde gemeente te zijn gevestigd.
11.7 De stagiaire met een buitenpatroon dient zodanige voorzieningen te
treffen, dat zijn kantoor gedurende de normale kantooruren bereikbaar is. Bij
afwezigheid van de stagiaire voorziet hij in een passende waarneming van de
praktijk.
Artikel 12
12.1 Gelet op ondermeer artikel 4 en artikel 5 Stageverordening 1988 en
dit reglement leggen de buitenpatroon en de stagiaire aan de Raad een door hen
beiden ondertekend begeleidingsplan over, waaruit blijkt op welke wijze zij
zullen voldoen aan hun verplichtingen. Dit plan dient te voldoen aan de in
bijlage 1 geformuleerde eisen, tenzij de Raad met een ander plan akkoord gaat,
hetgeen alleen het geval zal kunnen zijn indien dit andere plan aan de
bedoeling van bijlage 1 beantwoordt.
VI. Bijzondere (financiële) bepalingen geldend voor de
ondernemer-stagiaire
Artikel 13
13.1 Onverminderd de toepasselijkheid van de voorgaande artikelen
(uitgezonderd de bepalingen die naar hun aard niet van toepassing kunnen zijn
voor de ondernemer-stagiaire) gelden voor de ondernemer-stagiaire de navolgende
bijzondere bepalingen.
13.2 De ondernemer‑stagiaire dient ten genoegen van de Raad aannemelijk
te maken dat hij gedurende de stage in staat zal zijn zodanige inkomsten uit
zijn praktijk te verwerven, dat hij in zijn levensonderhoud zal kunnen voorzien
op tenminste het niveau van het minimumloon, vermeerderd met praktijkkosten.
Daartoe legt de ondernemer‑stagiaire
een ondernemingsplan en een begroting over, voorzien van een toelichting waarin
wordt weergegeven op welke feiten, omstandigheden en aannames de verwachte
praktijkomzet gebaseerd is. De begroting bevat tevens een overzicht van de te
verwachten privé‑uitgaven, de te verwachten praktijkkosten, etc.
13.3 De ondernemer-stagiaire dient gedurende de gehele stageperiode te
kunnen beschikken over een vrij krediet of een liquide vermogen gelijk aan een
jaar netto minimumloon, vermeerderd met het bedrag van de vaste praktijkkosten
voor het eerste jaar, ongeacht of deze kosten kunnen worden bestreden uit de in
dat jaar naar verwachting te realiseren ontvangsten.
Door de Raad wordt een
minimumkrediet of liquide vermogen van € 25.000,‑‑ verplicht gesteld. (Stille)
verpanding van de vorderingen uit de advocatenpraktijk is niet toegestaan.
13.4 De ondernemer‑stagiaire dient aan de Raad aan te tonen dat de
beroepsaansprake-lijkheidsverzekering als bedoeld in de Verordening op de
Beroepsaansprakelijkheids-verzekering is afgesloten, althans vanaf de datum van
beëdiging zal aanvangen.
13.5 Op eerste verzoek van de Raad doet de ondernemer‑stagiaire verslag
van de financiële ontwikkeling van de praktijk, en legt hij daartoe de door de
Raad verlangde stukken, waaronder begrepen jaarstukken en/of een balans en
verlies‑ en winstrekening, over.
13.6 De ondernemer-stagiaire dient aannemelijk te maken dat niet alleen
een behoorlijke praktijkomvang tot de mogelijkheden behoort, maar voorts dat de
door hem te behandelen zaken zich tot meer dan één rechtsgebied of enkele
rechtsgebieden zullen uitstrekken.
13.7 De ondernemer-stagiaire dient te beschikken over een kantoorruimte,
welke in overeenstemming is met de eisen van een goede praktijkuitoefening. De
kantoorruimte is voorzien van de gebruikelijke kantoorinventaris, waaronder met
name begrepen: handboeken, vakliteratuur en communicatiemiddelen.
13.8 De ondernemer‑stagiaire moet, indien hij in enigerlei
samenwerkingsverband gaat werken, de desbetreffende overeenkomst ter
goedkeuring aan de Raad voorleggen.
VII. Evaluatie
Artikel 14
14.1 De patroon brengt één maal per jaar, respectievelijk één maal per
zes maanden in geval van een stagiaire met een buitenpatroon of op verzoek van de Raad , binnen een maand na
afloop van die termijn verslag uit aan de Raad omtrent het verloop van de
stage, zoals bedoeld in artikel 5.3 van de Stageverordening 1988.
14.2 De patroon kan voor de verslaglegging gebruik maken van een door de
Raad toegezonden formulier.
14.3 De patroon zal de inhoud van ieder stagerapport met de stagiaire
bespreken, voordat dit ter kennis van de Raad wordt gebracht.
VIII. Verklaring ex artikel 10 lid 2
Stageverordening ("Stageverklaring")
Artikel 15 Praktijk-
en proceservaring:
15.1 De stage eindigt pas nadat de
Raad heeft vastgesteld dat de stagiaire over voldoende praktijkervaring
beschikt. Als minimumvereiste voor de proceservaring stelt de Raad dat:
a) de stagiaire tijdens
de stage minstens vijf keer in rechte is opgetreden (ter gelegenheid van
een mondelinge behandeling, pleidooi, enquête en/of comparitie). Optreden bij
een mondelinge behandeling bij een arbitrale procedure of bij een bezwaar- en
beroepsprocedure bij een overheidsinstantie geldt als optreden in rechte.
Optreden bij een mondelinge behandeling van een faillissementsverzoek of bij
een mediation mag maar eenmaal meetellen als optreden in rechte;
b) de stagiaire tijdens
de stage minstens tien processtukken heeft vervaardigd. Heeft de
stagiaire deze processtukken niet zelf volledig vervaardigd, dan volstaat bij
de helft daarvan dat de stagiaire een belangrijk aandeel daarin heeft gehad,
mits het in die gevallen processtukken in een omvangrijke en/of ingewikkelde
aangelegenheid betreft;
c) de stagiaire
tijdens de stage ten minste op twee rechtsgebieden ervaring heeft
opgedaan;
d) de stagiaire er naar
het oordeel van de Raad blijk van heeft gegeven in staat te zijn zelfstandig
naar behoren te handelen;
e)
de stagiaire naar het oordeel van de Raad niet op zodanige wijze in strijd met
de Advocatenwet en de daarop gebaseerde regelgeving of het gedrags- en/of
tuchtrecht handelt of heeft gehandeld, dat onvoldoende waarborgen zijn voor een
behoorlijke praktijkvoering.
In de verslaglegging aan de Raad verschaft de
patroon inzicht in de wijze waarop de stagiaire in het verslagjaar
praktijkervaring als hiervoor bedoeld heeft opgedaan. Op eerste verzoek van de
Raad dient de stagiaire en/of de patroon een aantal door de stagiaire
vervaardigde processtukken over te leggen.
15.2 Als de stagiaire
aan het einde van de stage niet aan kan tonen dat de stagiaire aan alle
opleidingseisen voldoet en/ of niet over voldoende praktijkervaring beschikt,
kan de Raad de stage verlengen met een door de Raad te bepalen termijn
waarbinnen de stagiaire alsnog aan de ontbrekende verplichting kan voldoen
en/of alsnog de ontbrekende ervaring kan opdoen.
15.3 Als de stagiaire na deze verlenging nog niet
heeft voldaan aan alle verplichtingen zal de stage, behoudens eventuele verdere
verlenging op grond van bijzondere omstandigheden, niet opnieuw worden verlengd
en zal geen stageverklaring worden uitgereikt.
15.4 De stagiaire is bevoegd in deeltijd werkzaam te zijn, met een
minimum van 24 uren per week. De
stageduur wordt naar evenredigheid ten opzichte van een dienstverband van 40
uur per week verlengd.
IX. Slotbepalingen
Artikel 16
16.1 De Raad is bevoegd in bijzondere gevallen nadere voorwaarden te
stellen of af te wijken van de bepalingen van dit Reglement. De Raad hanteert
als uitgangspunt dat vrijstellingen slechts kunnen worden verleend als
handhaving van de bepalingen resulteert in evident onaanvaardbare gevolgen.
16.2 De stagiaire en de beoogde patroon dienen zich voor de aanvang van
de stage schriftelijk te verbinden zich aan het onderhavige Stagereglement te
zullen houden.
16.3
Het op 14 oktober 2004
vastgestelde ´Stagereglement 2005´ is bij besluit van 2 maart 2006
ingetrokken met inachtneming van artikel
16.4.
Het "Stagereglement 2006" is
op 1 januari
16.4 Ten aanzien van stagiaires
die vóór 1 januari 2006 zijn beedigd blijft het ´Stagereglement 2005´ van
kracht.
16.5 Het op 2 maart 2006 vastgestelde
“Stagereglement
Het onderhavige reglement, dat zal worden aangeduid als
“Stagereglement
16.6 Ten aanzien van stagiaires
die vóór 1 juli 2011 zijn beëdigd blijft het “Stagereglement
Aldus vastgesteld in de
vergadering van de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Utrecht op 12 mei 2011.
Mr. H.H. Tan mr.
M.J. Cools
Deken Secretaris
BIJLAGE 1
HOOFDPUNTEN VOOR HET BEGELEIDINGSPLAN BIJ EEN
BUITENPATRONAAT
Patroon:
Tenminste 7 jaar
advocaat en een corresponderende praktijk met die van de stagiaire. Dit laatste
hoeft niet te betekenen dat hetzelfde specialisme wordt uitgeoefend, maar de
buitenpatroon moet wel een dusdanige ervaring hebben dat daarmee voldoende
toezicht op en begeleiding bij de praktijkvoering van de stagiaire gewaarborgd
is.
Kantoren:
Patroon en
stagiaire dienen kantoor te houden in hetzelfde arrondissement en in dezelfde
gemeente. De kantoren dienen zodanig ten opzichte van elkaar gelegen te zijn
dat communicatie niet onnodig moeilijk wordt gemaakt.
Contacten:
Eerste jaar:
Tweemaal per week,
waarvan tenminste eenmaal bij de stagiaire op kantoor.
Tweede jaar:
Eenmaal per week,
waarvan tenminste elke twee weken eenmaal bij de stagiaire op kantoor.
Derde jaar:
Elke twee weken,
waarvan tenminste eenmaal per maand bij de stagiaire op kantoor.
Daarnaast (dus niet
in plaats van) zo dikwijls als de omstandigheden dit nodig of wenselijk maken.
De stagiaire zal in
beginsel geen cliënten bijstaan bij mondelinge behandelingen ten overstaan van
een rechterlijk of soortgelijk college dan nadat de stagiaire tenminste
tweemaal pleidooien of mondelinge behandelingen van de patroon dan wel van een
andere ervaren advocaat heeft bijgewoond.
De patroon zal zich
in het eerste jaar van de stage tenminste tweemaal persoonlijk op de hoogte
stellen van het optreden van de stagiaire door het bijwonen van bijvoorbeeld
een pleidooi, een zitting of een bespreking met een cliënt of wederpartij en de
patroon zal dit optreden kort daarna met de stagiaire bespreken.
De stagiaire zal
niet deelnemen aan de piketdienst dan nadat de stagiaire aan de daarvoor
geldende eisen heeft voldaan.
Overige contacten:
Gedurende het
eerste halfjaar dient elk stuk door de patroon van tevoren gezien te worden
voordat het verzonden kan worden. Gedurende de tweede helft van het eerste jaar
dient elk stuk van enige betekenis door de patroon vooraf gezien te worden.
Gedurende de gehele
stage dienen stukken van enige betekenis, zoals inhoudelijke correspondentie,
processtukken, contracten e.d. in elk geval ook achteraf door de patroon gezien
te worden.
Uitrusting:
Vanzelfsprekend
dienen zowel de stagiaire als patroon over telefoon, fax en e-mail te
beschikken. De buiten-stagiaire dient een bibliotheek ter beschikking te
hebben, hetzij binnen het eigen kantoor, hetzij elders maar dan op zodanige
wijze dat deze bibliotheek eenvoudig bereikbaar is. De bibliotheek van de
patroon kan hiertoe dienen.
Overig toezicht:
De patroon dient
erop toe te zien dat de stagiaire aan zijn verplichtingen onder de diverse
verordeningen van de Nederlandse Orde van Advocaten voldoet, zoals de
Boekhoudverordening, de Verordening op de beroepsaansprakelijkheid, enzovoorts.
De patroon dient er tevens op toe te zien dat de stagiaire aan de
opleidingsverplichtingen voldoet, zoals het volgen van de beroepsopleiding en
VSO-cursussen. De patroon bevordert tevens deelname aan overige onverplichte
activiteiten.
Rapportage:
Onverminderd
hetgeen in de Stageverordening met betrekking tot rapportage is opgenomen,
dient de patroon in zijn rapportage onder meer aan alle hierboven genoemde
onderwerpen aandacht te besteden.